|
|
|
|
Commentaar op de Brandbrief van bezorgde
jeugdrechtadvocaten… Mr Ir Peter Prinsen, oud-advocaat Een rechtsstaat voor het kind? Op 4 december 2008 zond
een aantal Rotterdamse advocaten nevenstaande brandbrief aan de Rotterdamse
rechtbank. De advocaten verweten de kinderrechters dat zij Jeugdzorg en
Kinderbescherming te snel machtigen kinderen uit huis te plaatsen. De maatregel van uithuisplaatsing
is van ultimum remedium geworden tot voorbehoedsmiddel voor potentiële
schade, en dat nog wel op basis van
een onzorgvuldige werkwijze. De lichtvaardige
uithuisplaatsingstendens zou het gevolg zijn van het zogenoemde
“Savanna-effect”. Savanna was de vier-jarige peuter die in 2004, bezweken
onder mishandeling door haar moeder, dood in de kofferbak van moeders auto
gevonden werd. Die gebeurtenis bracht een storm van protest
teweeg: hoe kon dit gebeuren onder de ogen van Savanna’s gezinsvoogdes!
Jeugdzorg wist echter al deze publiciteit handig aan te wenden ten eigen bate: “Meer geld moeten wij hebben voor meer
gezinsvoogden!” Maar meer geld leidt onafwendbaar tot meer
ondertoezichtstellingen. Toen korte tijd later in
de Maas een in stukken gesneden meisje werd gevonden mobiliseerde de
Rotterdamse wethouder Geluk zijn collega’s van de andere grote steden want,
zo luidde zijn hysterische boodschap, in Rotterdam liepen wel zesduizend
potentiële Maasmeisjes het gevaar om door hun vader in stukken gesneden in de
Maas gegooid te worden. Geef ons meer macht! De rotterdamse advocatenbrief is een reactie op
de macht van de Jeugdzorglobby. Jeugdzorg weet uit elke
kritiek over haar disfunctioneren munt te slaan, niet alleen klinkende munt
(sinds Savanna weer honderden miljoenen, zonder enig blijvend effect op de
wachtlijsten) maar ook meer ongecontroleerde macht, zoals de advocaten
terecht signaleren in hun brandbrief aan de rechters. En waar niet
gecontroleerd wordt is het met de beroepsethiek gedaan… Maar wie mocht denken dat er iets nieuws onder de
zon is vergist zich! Professionele hysterie en ambivalente volkswoede zijn al
vanaf de opkomst van de professionele kinderbescherming de vaste begeleiders
ervan. Nimmer vindt onbevangen reflectie plaats waarin de klachten van ouders
serieus worden genomen. Steevast is het resultaat: meer repressie. Kinderbescherming
heeft politiek, rechterlijke macht, academische instituties en publieke
opinie (SIRE!) in een ijzeren greep. • In
de eerste helft van de vorige eeuw was de toenmalige Voogdijraad uitgegroeid
tot een door ouders intens gehate institutie. De volksmond sprak van
"Kinderdief". In 1954 heette het in de wet tot reorganisatie van de
Voogdijraden, in parlementair understatement: "dat een wijziging van
de naam wel wenselijk is, al ware het slechts, omdat de naam
"voogdijraad" bij het publiek langzamerhand een minder gunstige
klank gekregen heeft, hetgeen aan het werk van de
raad niet ten goede komt". Remedie:
de naam ‘Voogdijraden’ werd gewijzigd in ‘Raden voor de Kinderbescherming’. Dit politiek cynisme is nog altijd de kern
van het probleem. • Eind
80-er jaren waren het de Raden voor de Kinderbescherming die getergde ouders
aanzetten tot een Zwartboek Kinderbescherming en tot de roep om een
parlementaire enquête. In 1993 erkende de regering in de Memorie van
Toelichting op de herzieningswet Ondertoezichtstelling de kritiek op de zogenaamde “dubbelfuncties” van de
kinderrechter - enerzijds leiding geven aan de gezinsvoogd en anderzijds het
beslissen in geschillen tussen diezelfde gezinsvoogd en de ouders: “De ontwikkeling in de richting van grote
geprofessionaliseerde gezinsvoogdij-instellingen gaat gepaard met een
groeiend gevoel van onvrede bij met name ouders (…).
Men lijkt de kinderrechter nogal eens te ervaren als een verlengstuk van de
[gezinsvoogdij]instelling en ervaart de beslissingen die de kinderrechter
neemt in geval van conflict niet altijd als onafhankelijke rechtspraak”. Remedie: de
gezinsvoogdij-instellingen gingen op in een nieuwe bureaucratische schil: Bureau Jeugdzorg, in naam
onafhankelijk van de rechter, geflankeerd door Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). De
maximumtermijnen voor uithuisplaatsing werden afgeschaft. • In
naam was Jeugdzorg nu los van de kinderrechter, maar in de beleving van de
meeste kinderrechters veranderde er niets. De woede van de ouders bleef. Toen
kwamen Savanna en het Maasmeisje. Jeugdzorg plengde
krokodillentranen over hun zogenaamde onmacht tegenover zoveel “macht” van de
ouders. “Kinderen eerst” werd hun sofistisch adagium. Rouvoet zette nieuwe
fuiken: Centra voor Jeugd en
Gezin, elektronisch kinddossier en verwijsindex. Alle artsen,
leraren en onderwijzers, maatschappelijk werkers, vroedvrouwen worden
onbezoldigde opsporingsambtenaren: méér van hetzelfde. Gevolg:
wachtlijsten, meer geld, meer wachtlijsten, nog meer geld enz. Ook de Nationale Ombudsman heeft inmiddels – en
niet voor het eerst – alarm geslagen. In het openbaar verklaart hij zich te
schamen over Nederland, waarin op dit moment maar liefst 831
“probleem”-kinderen onschuldig zijn opgesloten in jeugdgevangenissen. Ook de
Nationale Ombudsman eist echter de verkeerde maatregel: méér inrichtingen.
Maar dat is natuurlijk een ongerijmdheid: Aanbod schept vraag. Het systeem is
gewoon verstopt door de massale lichtvaardige uithuisplaatsingen, en die zijn
weer het gevolg van het door overheid en media gevoede, door volkshysterie
bepaalde beleid met betrekking tot jeugdzorg. Het wordt nu echt tijd voor een kritische regeringscommissaris, niet
voor de wachtlijsten, maar voor de rechtsstatelijkheid van de
kinderbescherming. Een goede titel voor de discussiebijeenkomst die
de advocatengroep wil organiseren zou kunnen zijn: “EEN RECHTSSTAAT VOOR HET
KIND”. |
PERSOONLIJK
EN VERTROUWELIJK Aan de rechtbank te Rotterdam Afdeling Jeugd- en Familierecht T.a.v. De heer mr. M.J.L
Holierhoek Mevrouw mr.
Drs. J.L.A.T. Frima Postbus 50952 3007 BN
Rotterdam Maassluis, 4 december 2008 Inzake
: Bezorgde jeugdrecht-advocaten Onze
ref. : Geachte
heer, mevrouw, In
toenemende mate maken wij ons, als jeugdrecht-advocaten, grote zorgen over de
ontwikkelingen in het jeugdrecht en het functioneren van jeugdzorg in brede
zin. Onze zorgen betreffen met name de
zorgvuldigheid waarmee jeugdzorg opereert en de ruimhartige toetsing door de
kinderrechter. Wij vinden dat meer dan nu het geval is naar de minst
ingrijpende maatregel moet worden gezocht om de belangen van het kind te
waarborgen. Om die
reden hebben wij contact gezocht met de pers. Ook willen wij begin volgend
jaar een discussie-bijeenkomst organiseren, waarin wij het gesprek willen
aangaan met de rechterlijke macht, de kinderbeschermingsorganisaties,
orthopedagogen en andere deskundigen. Wij hopen dat u zult ingaan op de
uitnodiging die zal volgen. Onderstaand
zullen wij puntsgewijs aangeven waarover wij ons zorgen maken. Inhoudelijke
zorgen: Paniekvoetbal: Sinds de geruchtmakende “Savanna-zaak
“, waarbij een medewerkster van jeugdzorg verantwoordelijk is gesteld voor
haar nalaten in te grijpen in het gezin, lijkt jeugdzorg onder druk van de
publieke opinie en de politiek in zaken het zekere voor het onzekere te
nemen. Kinderen
worden, zo is onze ervaring, in toenemende mate zeer snel uit huis geplaatst
in crisis-pleeggezinnen of gesloten of besloten instellingen. De
uithuisplaatsing is daarmee geen ultimum
remedium meer, maar een voorbehoedsmiddel voor
eventuele schade die mogelijk zal kunnen optreden. Het lijkt alsof kinderen
op grond van een bestwil-criterium uit huis worden geplaatst, waarbij soms
uit het oog wordt verloren dat kinderen in principe het best af zijn bij hun
eigen ouders. Alhoewel gevallen als die van Savanna buitengewoon schokkend en
schrijnend zijn, is het een illusie te denken dat dergelijke zaken ooit
helemaal voorkomen kunnen worden. Er zullen altijd kinderen het slachtoffer
worden van ongeschikte ouders. Wij menen dat andere kinderen en ouders niet
de dupe mogen worden van de paniek die sinds die tijd bij publiek en politiek
lijkt te heersen. Mogelijkheden
om kinderen en ouders binnen het gezin te begeleiden onvoldoende benut en
onderzocht: Wanneer
er sprake is van ernstige mishandeling of incest is een uithuisplaatsing vaak
de enige manier om kinderen te beschermen. Wanneer er echter sprake is van
opvoedingsproblematiek, of onmacht van de ouders om hun kinderen adequaat te
begeleiden, is het de vraag of een uithuisplaatsing de beste manier is om
kinderen te helpen. Onze
ervaring is dat de mogelijkheden om de kinderen binnen het gezin te houden en
het gezin hulp te geven daarbij regelmatig onvoldoende worden onderzocht of
onbenut gelaten. Er zijn tal van goede initiatieven en projecten
(bijvoorbeeld via Humanitas) die ouders en kinderen goede begeleiding, hulp
en therapie buiten een instelling om kunnen bieden.Wij menen dat deze
mogelijkheden eerst moeten worden benut voordat men voor een ingrijpend
middel als een uithuisplaatsing kiest. Onze
cliënten, jeugdigen en ouders, melden ons regelmatig dat zij openstaan en ook
steeds hebben gestaan voor hulp bij de problemen binnen het gezin. Zij
vertellen daarbij deze hulp in de periode voorafgaand aan een
uithuisplaatsing niet of onvoldoende te hebben gekregen. Functioneren
gezinsvoogden: De
contacten tussen het gezin en de gezinsvoogd zijn vaak minimaal geweest.
Ouders en kinderen vertellen de gezinsvoogd nauwelijks te hebben gezien of
gesproken. Contacten zijn vaak telefonisch geweest. Er is gekeken naar wat er
allemaal fout gaat, maar niet gezocht naar oplossingen. Er
blijkt met regelmaat geen sprake van goede begeleiding. Wanneer hulp is
geboden worden gezinnen na het beeindigen van het hulptraject aan hun lot
overgelaten waardoor zij terugvallen in oude patronen. De meeste ouders
vertellen dat zelf ook heel jammer te vinden. Wij
hebben de indruk dat er vaak veel meer mogelijkheden zijn om kinderen, met
deskundige hulp, in het gezin te laten wonen en het gezin goed te laten
functioneren. In onze
optiek wordt door Jeugdzorg te snel geconcludeerd dat hulpverlening binnen
het gezin waarbij het kind thuis blijft wonen, niet haalbaar is. Te snel
wordt aangenomen dat een kind in een pleeggezin, pleeginstelling of andere
instelling beter af is. Culturele
verschillen: Regelmatig
constateren wij dat culturele verschillen een rol spelen bij de beoordeling
van de geschiktheid van ouders om hun kinderen op te voeden en te verzorgen.
Met een westerse bril op worden kinderen uit gezinnen met andere culturele
achtergronden beoordeeld. Wijze
waarop de uithuisplaatsing plaatsvindt: De
wijze waarop uithuisplaatsingen vaak plaatsvinden, vinden wij traumatiserend voor
kinderen. Kinderen worden als criminelen van hun bed gelicht of door de
politie van school gehaald. Regelmatig komt het voor dat kinderen voor de
ogen van broertjes en zusjes en buren door de politie worden weggevoerd,
vervolgens een hele dag in een politiecel doorbrengen en pas ‘s avonds ergens
naar een instelling worden gebracht. Sommige kinderen hebben flinke blauwe
plekken op de plaatsen waar zij zijn vastgegrepen. In een
aantal gevallen heeft
Jeugdzorg, ondanks het ontbreken van de daarvoor benodigde machtiging,
kinderen in een instelling geplaatst. In een paar gevallen is het zelfs
voorgekomen dat het betrokken kind in een tijdsbestek van drie of vier weken,
meerdere keren van het bed werd gelicht, geplaatst, weer naar huis werd
gestuurd omdat er geen machtiging was en vervolgens weer van het bed werd
gelicht. De impact die zoiets heeft op ouders
en kinderen is zeer groot. Ouders
krijgen soms geen informatie over de verblijfplaats van hun kinderen. Moeders
van baby’s of peuters mogen een aantal dagen of weken geen contact met hun
kindje. Kinderen mogen soms wel, maar soms ook helemaal niet naar huis
bellen. Het is ons niet duidelijk op welke pedagogische principes het verbod
op contact is gebaseerd. De
wijze waarop de uithuisplaatsing plaatsvindt, is - zo is onze ervaring - voor
kinderen en ouders buitengewoon ingrijpend en traumatiserend. Vervoer
van de jeugdige van en naar de rechtbank: Alhoewel met de wetswijzigingen nieuwe eisen aan het vervoer van
de jeugdige van en naar de rechtbank zijn gesteld blijkt dit vervoer
regelmatig voor veel stress te zorgen. De kinderen worden nog vaak in
arrestantenbusjes vervoerd. Ze zitten lang in het busje en rijden langs
verschillende instellingen door het hele land. Een
voorbeeld uit de praktijk: Een 15-jarige jongen met een autistische stoornis
moest tijdens de lange rit nodig plassen. Er was geen communicatiesysteem tussen het deel van het
busje waar hij verbleef en de chauffeurs. De chauffeurs hoorden hem niet
kloppen door het dikke glas. De jongen heeft in zijn broek geplast en heeft
vervolgens de hele
verdere dag in zijn natte, vies ruikende broek moeten lopen. Jeugdzorg
behoort te zorgen voor adequaat vervoer. Jeugdzorg vergeet vaak dit vervoer
te regelen of belt nog steeds de DVO voor het vervoer. Het komt zelden voor
dat een gezinsvoogd het kind zelf ophaalt. Dat vinden wij onbegrijpelijk. Als
je de verantwoordelijkheid hebt over een kind, kan juist zo’n rit op een voor een kind heel belangrijke en spannende
dag bijdragen aan het versterken van de vertrouwensband. Eenmaal
in de instelling: Er
wordt in onze optiek voorbijgegaan aan het feit dat kinderen in dergelijke
instellingen vaak maandenlang geen behandeling krijgen en de scholing onvoldoende
is. De uithuisplaatsing bij ouders en kind roept zoveel weerstand op dat een
verdere vruchtbare, en volgens ons noodzakelijke, samenwerking tussen ouders,
kind en jeugdzorg hierdoor onmogelijk wordt. Het enige dat instellingen de
jeugdigen veelal bieden, is structuur. Het is de vraag of deze structuur, met
professionele hulp, niet net zo goed, of beter thuis geboden kan worden. Rechters
en jeugdzorg gaan ervan uit dat pleeggezinnen en instellingen veilige plekken
zijn voor kinderen en daarom vaak de voorkeur genieten boven thuis blijven.
Er zijn ons gevallen bekend waar kinderen, eenmaal uit huis geplaatst, werden
misbruikt of andere seksueel grensoverschrijdende ervaringen hadden. Kinderen
worden niet op geschikte plek geplaatst: Alhoewel de wet nu eist dat kinderen ook daadwerkelijk in een
behandelinstelling worden opgenomen, komt het zelden voor dat kinderen meteen
op de plek worden geplaatst waar zij horen. Kinderen
worden in de periode waarin zij uit huis zijn geplaatst vaak van hot naar her
gesleept; van crisisopvang naar gesloten instelling. Bij de plaatsing wordt,
opnieuw “door de wachtlijsten”, met regelmaat geen rekening gehouden met de
specifieke problematiek van het kind, als er maar een plek is. In een
recent geval heeft een kind zichzelf in de instelling verhangen. Bij de
intake in de Justitiële Jeugdinrichting wist niemand dat het kind suïcidaal
was, omdat het raadsrapport niet werd meegestuurd. Door de
wachtlijsten verblijven kinderen maanden op plekken waar zij eigenlijk niet
thuis horen en niet worden behandeld. Lange
wachtlijsten voor de hulpverlening mogen niet als excuus worden gebruikt om
niet achter een geschikte plek aan te hoeven zitten. Regelmatig constateren
wij dat gezinsvoogden nalaten kinderen adequaat voor de juiste behandelplek
aan te melden waardoor nog meer tijd verstrijkt. Kinderen
gaan van school naar school; er zijn bijvoorbeeld kinderen die in één jaar
tijd vier verschillende scholen bezoeken of in twee jaar tijd zes
verschillende scholen. Wij vragen ons af wat de impact op kinderen zal zijn
wanneer zij in een belangrijke periode in hun leven zo weinig stabiliteit
kennen. Meestal wachten kinderen in justitiële inrichtingen maanden, of zelfs
jaren op therapie of hulp. Wij kennen gevallen waarin de kinderen de justitiële
jeugdinrichting verlaten als ze eenmaal 17 of 18 jaar zijn zonder ooit
behandeling te hebben gehad. Het Europese Hof voor de rechten van de Mens
eist in haar uitspraken dat in de afweging tot uithuisplaatsing altijd wordt
meegewogen waar het kind heen gaat en of dit een geschikte plek is. Grote
afstand instellingen / gezinnen: Kinderen
worden regelmatig in een instelling op grote afstand van hun gezin geplaatst.
Dit hangt uiteraard ook samen met de geografische ligging van de meeste
instellingen. Dit heeft echter tot gevolg dat ouders de kinderen niet of
nauwelijks kunnen bezoeken. Er moet in onze optiek worden gestreefd naar een
situatie waarin kinderen zo dicht mogelijk in de buurt bij hun ouders worden
geplaatst in de meest geschikte instelling. Plaatsing
in een pleeggezin: Wanneer
kinderen in een pleeggezin worden geplaatst, wordt er in onze optiek
onvoldoende gedaan om kinderen uit één gezin bij elkaar te houden. Daarnaast
wordt onvoldoende rekening gehouden met de achtergrond van kinderen. Kinderen
uit moslim-gezinnen worden geplaatst bij streng gereformeerde gezinnen waar
hun geloof en herkomst onvoldoende wordt gerespecteerd. Besnijdenissen worden
door de christelijke gezinnen geweigerd en moeten worden afgedwongen in een
kort geding, kinderen moeten meebidden met het christelijke gebed en krijgen
varkensvlees te eten. De voorzieningenrechter heeft in een geval zelfs
toestemming gegeven om een moslim-kind tegen de wens van de moslim-vader in
te laten dopen. Summier
contact: Onze
cliënten klagen vaak over het summiere contact met de gezinsvoogd. Veel
contact geschiedt telefonisch. Echte begeleiding en ondersteuning bij de
problemen lijken cliënten niet te krijgen. Maar al
te vaak horen wij van onze cliënten dat de betrokken gezinsvoogd, nadat een
kind eenmaal uit huis is geplaatst, de verantwoordelijkheid geheel bij de
instelling laat en nauwelijks nog contact opneemt. Ook komt het met grote
regelmaat voor dat de gezinsvoogd niet of onvoldoende toeziet op het in gang
zetten van de behandeling. De verantwoordelijkheid wordt hiermee in onze
optiek te vaak afgeschoven. Als
reden wordt vaak aangevoerd dat veel tijd moet worden besteed aan papierwerk
en het invullen van formulieren. Wij menen
dat ouders en kinderen daar niet de dupe van mogen worden. Wanneer door
papierwerk onvoldoende tijd aan het gezin kan worden besteed, zal naar andere
oplossingen moeten worden gezocht. Als advocaten zijn wij ook genoodzaakt om
voor het papierwerk secretaresses in dienst te nemen zodat wij ons
inhoudelijk met de zaken kunnen bezighouden. Overigens
valt ons op dat de omvang van de stukken die gezinsvoogden produceren
imposant is. Bij bestudering blijkt echter dat de stukken uit talloze
herhalingen bestaan. Gezinsvoogden
communiceren regelmatig onvoldoende met de ouders. Er wordt onvoldoende naar
ouders geluisterd en zij worden niet serieus genomen. De gezinsvoogd neemt
een beslissing: daar mag niet aan worden getornd. Hierdoor
ontstaat een grote weerstand bij ouders tegen jeugdzorg, waardoor
hulpverlening mislukt. Ouders,
jeugdigen en advocaten klagen over de bereikbaarheid van de gezinsvoogden.
Mobiele nummers van de gezinsvoogden worden vaak niet verstrekt, terwijl dit
in crisisgevallen wel handig is. Bij ons
bestaat de indruk dat veel gezinsvoogden het idee hebben dat het werk gedaan
is wanneer een kind eenmaal is geplaatst. Er is nog zelden contact met het
kind of het gezin en de verantwoordelijkheid wordt bij de instelling gelegd.
Wij menen dat de tijd die het kind in de instelling doorbrengt, moet worden
benut om de ouders in de thuissituatie te begeleiden en voor te bereiden op
de terugkeer van hun kind. Zulks is toch ook een wettelijke plicht ex artikel
1:257 BW. Procedurele
bezwaren: De
procespositie van advocaten tijdens de procedure: Wij
hebben de indruk dat de rechtbank, op indicatie van jeugdzorg, te snel
aanneemt dat een kind beter af is in een instelling of pleeggezin. Voor ons
als advocaten blijkt het vrijwel onmogelijk de rechtbank ervan te overtuigen
dat hulpverlening binnen het gezin nog niet of onvoldoende heeft
plaatsgevonden. Bij
spoeduithuisplaatsingen is de tijd tussen de ontvangst van de stukken (soms
aan het einde van de middag voor de zitting) en de zitting zo kort dat wij
als advocaten geen mogelijkheid hebben de stukken door een deskundige te
laten beoordelen. Wanneer kinderen eenmaal uit huis zijn geplaatst is het kwaad vaak al geschied. Het is een lastige opgave om
een kind weer terug in het gezin te krijgen. Ondanks
herhaalde verzoeken tijdens de vele overleggen
die er zijn tussen rechtbank, advocatuur en jeugdbeschermingsinstanties,
worden stukken door jeugdzorg in het merendeel van de gevallen niet of op het
allerlaatste moment naar de advocaten gestuurd. Dit bemoeilijkt ons zeer in
onze taak voor de belangen van onze cliënt op te komen. Gezinsvoogden
zijn tijdens de zitting regelmatig afwezig en worden vervangen door een
collega die het betrokken gezin of dossier niet kent. Wij hebben regelmatig
geconstateerd dat gezinsvoogden tijdens de zitting niet de waarheid spreken.
Daarbij wordt, in onze optiek, door de rechtbank uit het oog verloren dat
Jeugdzorg ook partij is. Door de
rechtbank worden medewerkers van jeugdzorg tijdens de zittingen beschouwd als
deskundig op het gebied van het betreffende kind en het gezin. Daarbij wordt
uit het oog verloren dat er vaak maar weinig contact is geweest tussen de
gezinsvoogd en het gezin. Vaak is de betrokken gezinsvoogd helemaal niet
aanwezig en kan dus ook niet kritisch worden bevraagd op onjuistheden/onwaarheden die uit het dossier naar
voren komen. Wanneer
een gezinsvoogd (of zoals vaker het geval is de vervanger van de gezinsvoogd)
iets zegt, wordt dat voor waar aangenomen. Omdat jeugdzorg staat voor de
bescherming van het kind, wordt er te snel van uitgegaan dat wat jeugdzorg
zegt wel zal kloppen. Onze ervaring is dat het zeer regelmatig voorkomt dat
'feiten', zoals door de gezinsvoogd genoemd, niet kloppen. Gezinsvoogden zijn
ook niet opgeleid om goede objectieve rapportages te maken, maar om ouders en
kinderen te begeleiden. Feit, mening en vermoeden lopen kriskras door een
rapportage en zijn niet te onderscheiden. Door
tijd- en geldgebrek is het voor ons als advocaten meestal onmogelijk de
rapportages te laten beoordelen door een andere deskundige. De mogelijkheid
bestaat om via de rechtbank een second opinion te vragen. Een dergelijke
procedure duurt echter geruime tijd, terwijl een kind over het algemeen al
die tijd uit huis is geplaatst. Gedragsdeskundige: In het
kader van de spoedmachtiging en de overige machtigingen in verband met
gesloten plaatsingen dient een verklaring van een gedragsdeskundige te worden
overgelegd. Door het Hof ‘s- Gravenhage zijn aan deze verklaring eisen
gesteld die moeten waarborgen dat de verklaring kan worden getoetst.
Inmiddels is ons gebleken dat een gedragsdeskundige van jeugdzorg, onder het mom van tijdgebrek, een kind doorgaans maar 15 minuten
spreekt, vervolgens een verklaring aflegt en zich daarbij kennelijk met name
baseert op de stukken die door Jeugdzorg zijn opgesteld. Wij
zijn van mening dat het beroven van iemands vrijheid een zeer ingrijpende
maatregel is die zeer zorgvuldig moet worden genomen, zoals ook blijkt uit
artikel 5 EVRM. Als advocaat
zijn wij verplicht voorafgaande aan een zitting te trachten onze cliënt te
bezoeken in dergelijke zaken en met het kind een vertrouwensband op te
bouwen. Dat lukt niet bij een bezoek van een kwartier. Wij zien het als onze
plicht tijd te maken om op zorgvuldige wijze met het kind te spreken. Het is
ons niet duidelijk waarom een gedragsdeskundige niet dezelfde zorgplicht zou
hebben. We zijn van mening dat een gedragsdeskundige onmogelijk op basis van
een gesprek van vijftien minuten kan toetsen of een kind gesloten dient te
worden geplaatst. Een kind in een crisissituatie zal, zo menen wij, in de
eerste vijftien minuten van een gesprek nooit meteen het achterste van de
tong laten zien. Juist
nu blijkt dat sommige gedragsdeskundigen van de betrokken organisaties op zo’n kort gesprek met een kind hun oordeel baseren, zou het
goed zijn wanneer er meer mogelijkheden zouden zijn om de inhoud van de
stukken inhoudelijk kritisch te bekijken. Als
advocaat zijn wij betrokken bij onze cliënt en om die reden niet
onafhankelijk. Wanneer wij de stukken en de feitelijke gang van zaken
aantoonbaar weerspreken, legt dat weinig gewicht in de schaal. Jeugdzorg
heeft immers het beste met het kind voor! Ook wanneer wij kunnen aantonen dat
er zaken in de stukken niet kloppen wordt dat meestal met de mantel der
liefde bedekt en gaat de rechtbank er vanuit dat jeugdzorg het belang van het
kind voor ogen heeft. Op basis van het bestwil-criterium ziet de rechtbank
veel door de vingers en wijkt regelmatig af van de letter van de wet. Dit
dwingt de betrokken instanties niet tot zorgvuldig werken. En dat terwijl zorgvuldig werken juist in het
belang is van alle betrokkenen. Rapportages
achterhaald: Bij de
verzoeken worden rapportages overgelegd. Opvallend is dat informatie uit deze
rapportages vaak oud is en worden, zelfs als zaken aantoonbaar niet juist
zijn, jaar in jaar uit in de rapportage herhaald. Maar al
te vaak maken wij mee dat in rapportages van jeugdzorg fouten en onjuistheden
staan. Zaken worden uit de context getrokken, gaan een heel eigen leven
leiden en komen telkens in procedures terug. Niet naleven procedurele
voorschriften door de vingers gezien: Bij
vrijwel iedere zitting blijkt dat jeugdzorg niet aan alle procedure-eisen die
de wet stelt heeft voldaan. De verklaring van de gedragsdeskundige ontbreekt,
er is geen indicatiebesluit, er is geen verzoek tot verlenging van de
machtiging ingediend, er is geen vervoer voor het kind geregeld, stukken zijn
niet naar de advocaat toegestuurd, et cetera. Waar aan
advocaten door de rechtbank, terecht, zeer stringente eisen worden opgelegd als het gaat om het voldoen aan de
voorschriften, wordt van jeugdzorg veel door de vingers gezien. De wet wordt
daarbij opgerekt of terzijde gesteld “in het belang van het kind”. Daarbij
wordt in onze optiek te vaak het “bestwil-criterium”gebruikt. De
wetgeving op dit gebied is nu juist opgesteld om alle actoren in het
jeugdrecht te dwingen zorgvuldig te werken, het gaat immers om grote
belangen! Door keer op keer het nalaten van jeugdzorg door de vingers te
zien, wordt jeugdzorg niet gedwongen de wet na te leven. Dit gaat ten koste
van de zorgvuldigheid van het proces. Toetsing
in hoger beroep van de spoedmachtigingen niet mogelijk: Helaas
blijkt het niet mogelijk de spoedmachtigingen in hoger beroep te laten
toetsen. Zelfs wanneer meteen nadat de machtiging is gegeven appel wordt
ingesteld, is de duur van de machtiging, tegen de tijd dat het appel door het
Hof wordt behandeld, verstreken. In dat geval verklaart het Hof de appellant
standaard niet-ontvankelijk en komt aan inhoudelijke toetsing niet toe. Dit
betekent dat er onvoldoende kritisch wordt gekeken naar uitspraken van
rechters in deze zaken. Juist nu het om hele ingrijpende maatregelen voor een kwetsbare groep cliënten
gaat, achten wij dit onaanvaardbaar. Wij
vinden het namelijk van belang dat de rechtbank kritisch toetst of een
kinderbeschermende maatregel noodzakelijk is. Verdragsbepalingen van het EVRM
en IVRK en de uitleg van het EHRM moeten leidraad zijn bij de beoordeling. De
uitspraken moeten beter worden gemotiveerd. Dit is in het belang van
kinderen, ouders en ook de kinderbeschermende organisaties zelf. Wij
willen deze brief positief eindigen. Wij merken dat veel gezinsvoogden,
andere jeugdhulpverleners en rechters zich met hart en ziel inzetten voor
kinderen. Aangezien wij het in het belang van onze cliënten, maar ook van de
maatschappij als geheel, achten dat het jeugdrecht goed functioneert, hopen
wij dat de discussiebijeenkomst tot vruchtbare uitkomsten zal leiden. Met
vriendelijke groeten, Th.Th.M.L Boersema (Dikkers &
Boersema) A.T. Bol (Van Riet Advocaten) R.H.P. Feiner (Advokatenkollektief
Rotterdam) M. Huisman (Advokatenkollektief
Rotterdam) K. Logtenberg (Advokatenkollektief
Rotterdam) Ch.J. Nicolaï (Baars & Van
Opijnen) A.A.J. de Nijs (Advokatenkollektief
Rotterdam) M.P.G. Rietbergen (Rietbergen &
Partners) J.A. Smits (Rietbergen &
Partners) R.E. Tergau (Tergau van den Adel
advocaten) D.H. van Tongerlo (Van Vollenhoven
advocaten) J.J. Verbeke |